Het "Hof van Ruisbeek" is zoals zijn naam aangeeft een "Hof" - gesloten of vierkantshoeve.
Hofsteden werden geassocieerd met rijkdom, daardoor waren ze dikwijls verbonden met een kasteel of heerlijkheid. Voor het beschreven hof was dit echter niet het geval, het bestond reeds lang voor er sprake was van een kasteel in Ruisbeek.
De bouwmethode is eigenlijk een defensieve inplanting maar, aangezien speciale behuizing voor de verschillende dieren (kippen, koeien, paarden, varkens,...) noodzakelijk was, was het ook veel praktischer om de gebouwen rondom een centrale plaats te schikken in plaats van steeds verder gebouwtjes toe te voegen aan een in de lengte gebouwde hoeve. In het zuiden (Frankrijk) waren de hofsteden meer open in plaats van volledig ommuurd. Een van de redenen waarom in het Noorden (Vlaanderen) de vierkantshoeven volledig gesloten zijn is het gebruik van paarden in plaats van ossen om te ploegen. Paarden blijken in een gesloten kraal beter onder controle te houden.
De meeste hoevewoningen zijn naar het zuiden of het zuidoosten gericht, alzo maximaal van de winterzon profiterend, en de rug naar het barre noorden gekeerd. Ook waren in de noordelijke gevels weinig of geen vensters of deuren.
Het dateren van woningen is bijzonder moeilijk, praktisch elke eigenaar deed verbouwingen. Daarom heeft het "Hof van Ruisbeek" zulk een verscheidenheid in gebouwen. De plattegrond onderaan documenteert aan welke architectonische evolutie het hof onderworpen werd.
De plattegrond toont de situatie zoals deze zich voordeed in 1919, vooraleer het "Hof" verkaveld werd; de grijze gedeeltes zijn ondertussen afgebroken. De details van de verschillende vleugels worden na het aanklikken van één van de rode pijlen in een nieuw venster afgebeeld.
Het is gebaseerd op een tekst, oorspronkelijk geschreven door A. Van Ingelgom ("Het kasteel van Ruisbeek te Kampenhout" - 1930-31) alsook op de interpretatie van de koopakte van 1919 (zie plan met daarop het gebruik van de verschillende gebouwen)

Dit was echter niet altijd het geval, volgens de kaart van Ferraris uit 1771 was deze hoeve "U"-vormig, het gebouw langs de Weesbeek bestond toen nog niet.
De tekeningen zijn gemaakt aan de hand van geschreven teksten, oude beschrijvingen, ... en aangezien een afbeelding meer voor zichzelf spreekt heb ik het oude spreekwoord in ere willen houden - "A picture is worth a thousand words" . De teksten zijn beschrijvingen van hoe de materialen vroeger werden aangewend.

Dakconstructies
De gebinten zijn volledig in eik, dikwijls werd de breedte van een schuur bepaald door de lengte van de boomstammen die konden verkregen worden. De langere stammen werden voorbehouden voor kastelen en kloosters. Aangezien alle hoofdbalken (of "scharen") genummerd zijn(I, II, III, IV,...), wordt verondersteld dat deze niet ter plaatse werden gemaakt. Klik hier voor een afbeelding van het dakgebinte.
Funderingen en muurconstructies
De funderingen waren niet al te diep. Kelders, indien die er waren, werden als afzonderlijke uitgravingen binnen het gebouw gegraven.
Onder de grond werd een laag van grof materiaal en een bed van keien of kleine stenen als fundering gebruikt, zo kon het water via de openingen weg vloeien. Bovenop deze fundering kwam een laag witte zandsteen van ongeveer een meter hoog en een halve meter dik (noteer dat de streek en vooral Diegem nog steeds gekend is voor zijn zandsteengroeven). Bovenop deze zandstenen werd een laag leisteen geplaatst om opstijgend vocht te voorkomen, en uiteindelijk werd hierop de baksteen gemetst. De bakstenen werden geplaatst volgens een bepaald patroon (zie figuur rechts).
Raamopeningen
In de welige middeleeuwse herenhuizen werd de zone onder het venster binnen het gebouw uitgebouwd tot zitgelegenheid. Dikwijls was dit gedaan in trapeziumvorm met de langste basis naar binnen gericht; dit had tot doel het licht naar binnen beter te spreiden.
De meeste ramen van het Hof van Ruisbeek werden gebouwd met witte zandsteen, hadden negblokken en een zandstenen linteel met boogvormige rand van bakstenen.
Het Hof van Ruisbeek had naar verluidt geen dakvensters, uitgenomen in het gedeelte waar de watermolen was ondergebracht. Deze dakvenster was langwerpig en had een poeliemechanisme om zakken omhoog te kunnen tillen en op te slaan op de zolderverdieping van de molen. Deze venster moet er ongeveer hebben uitgezien zoals in de figuur links.

Volgens de huidige standaarden zouden de funderingen van deze laat-middeleeuwse hoeve alles behalve zijn, doch hebben zij de tand des tijds uitstekend doorstaan.
Een voorbeeld van een muuropbouw is nog goed te zien in één van de oudste gedeeltes van de hoeve nl. de binnenzijde van de noordoostelijke vleugel.

Een gat in de muur maken verzwakt de constructie; daarom moet de zone boven het gat ondersteund worden. Meestal gebeurde dit door middel van een stenen en/of eiken linteel, of door een rechtopgezette rij bakstenen in de vorm van een boog, die boven het linteel gemetst werd.
Page created by: Erik Heymans (erik@highgate57.com) - Last Update: December 30, 2000