Hof van Ruisbeek - Molens

Hoe werkt een oliewater- of slagmolen?
Het procede van het olieslaan berust op het breken, warmen en persen van oliehoudend zaad i.e. kool-, raap- of lijnzaad. Kool- en raapzaadolie werd gebruikt voor ondermeer brandstof voor lampen of als smeerolie, het werd vroeger ook gebruikt als bakolie.
De olieslagmolens hadden drie hoofdonderdelen: het stampwerk, het fornuis, de slagbank.
Op oliewatermolens werden zowel het stampwerk als de slagbank door de horizontale wateras aangedreven. Deze werd rechtstreeks door het waterrad aan het draaien gebracht. De slagbank lag het dichtst bij het waterrad, de stamppotten lagen het verst van de beek verwijderd. Zij wogen het zwaarst en moesten tegen eventueel inkalvingsgevaar beveiligd worden. Dit was later ook zo met de nog zwaardere pletterstenen. Het zaad werd gebroken door stampers die neervielen in potten of uitsparingen in een olmehouten pottenblok. De bodem van de peer- of appelvormige stamppotten en de voet van de stampers was met ijzer beslagen.
Slagmolen Door de vorm van de stamppotten werd het zaad bij het stampen gelijkmatig geplet. De honderd kilogram zware, beukehouten stampers gleden op en neer in een stampraam. De stampers werden in beweging gebracht door heffers, die aangedreven werden door de wateras en zo opgesteld waren dat de stampers afwisselend sloegen. Meestal waren er drie tot vijf stampers. Ze hadden vaak een lengte van wel vijf meter. Men schakelde de stampers uit door ze via een hefboom met een touw op te trekken. Tevens werden ze geborgd door een stamperbout. Omdat de olieslager regelmatig het geplette zaad met de hand uit de potten moest weghalen, was het degelijk opschorten van de stampers belangrijk. Een vallende stamper kon hem een hand kosten.
In een vuring warmde men het fijngestampte zaad op. Op een gemetselde sokkel lag een ijzeren plaat waaronder vuur werd gemaakt. Hierop stond een bodemloze pan, de schuifring. Het geplette zaad werd erin gegoten, onder toevoeging van water, en tegen aanbranden werd het voortdurend omgeroerd door een roerijzer, aangedreven door de wentelas. Wanneer het zaad warm genoeg was, werd de roerstok via een hefboomsysteem opgetrokken en werd het zaad met de aftrekpan van de hete plaat geschoven. Langs trechters kwam het in wollen stampzakken terecht. Deze werden met een kappende beweging van de hand plat gemaakt. Vervolgens werden de zakken in lederen omhulsels of 'schroën', gevoerd met paardehaar tegen het openscheuren, overgeladen.
Ook de slagbank werd door de wateras aangedreven. Het principe van de aandrijving was hetzelfde: heffers op de wentelas tilden de heien op en lieten ze weer los door het wegdraaien van de as. Er was een slaghei, die het eigenlijke perswerk deed, en een loshei die de wiggen in de slagbank moest losslaan. De heien sloegen elk tweemaal per asomwenteling. Het slaan mocht niet te snel gebeuren. De olie moest niet alleen de tijd krijgen om weg te vloeien, maar ook de heien en stampers moesten de tijd krijgen om te vallen. De heien gingen eveneens op en neer in een stampraam dat op een olmehouten slagbank stond opgesteld. Deze rustte op stuitblokken die gewoonlijk op heipalen stonden. De beekgrond zou anders tegen dit aanhoudend gebeuk niet bestand geweest zijn. Desondanks helden heel wat oliewatermolens over naar de waterkant.

Bron: Kracht van wind en water - Molens in Vlaanderen (Paul Bauters)


De Rosmolen of "Rossekot"

Het procede van de rosmolen is hetzelfde als voor de olieslagmolen, maar in plaats van het water als aandrijfkracht te gebruiken, werd een aandrijfrad bewogen door ruwe paardekracht. Het mechanisme van de molen werd vanuit een centrale spil in beweging gebracht. Een kantelwerk met schijfloop op een as, die aansluit bij het kroonwiel, bracht het klauwijzer van de maalgang in beweging.


[Home page]-[Site Map]-[Ruisbeek intro]-[Geschiedenis van Ruisbeek]-[Architectuur - Hof van Ruisbeek]-[Duiftorens]-[Timeline - Hof van Ruisbeek]-[Bibliografie]-[Kampenhout]

Page created by: Erik Heymans (erik@highgate57.com) - Last Update: December 30, 2000